De eerste keer

In een bos van witte hete hoofden hoog op 't been
kwam hij bruin en onverschillig binnenwandelen
met een gevleugelde leugen losjes onder zijn arm
die ik gretig consumeerde, de mond wijdopen,
de ogen gesloten, de handen weerloos op zijn schoot.
'Dat is mijn berg', wees hij, 'dat is mijn maan,
en als je lief bent mag je onder mijn sterren liggen'
'Het gras is nat,' zei ik, 'er loopt een spin
over mijn linkerdij, en die drie vreemde mannen
kunnen mijn billen raden in 't donker.'
'Wees niet bevreesd," zei hij heilig. ' 't
Schijnsel van de maan reikt niet tot onder
onze eucalyptus. Die zwervers zoeken slechts een huis
om in te breken, geld om iets te kopen als ontbijt.
Ontspan je ledematen, draai je bekken naar de hemel,
want ik ben jou en jij bent mij. Help mij vergeten
dat we zijn.'

Ik zag ons passie hoesten
krachtig aan het hart voorbij
Voelde de haren op zijn borst
zijn blik veel bloter dan zijn lies
Zijn zorg om niet te zuchten.
't Was echt
zijn maan die over ons gebogen
stond.
Ooit zal wat wij daar proefden
oneindig liever liefde zijn