In de kamer van mijn vroeger

Mijn hoofd wordt leeg. Straks, als ik tachtig ben
ligt er niets meer in de kamer van mijn vroeger
De soep van mijn oma op het zwakke pitje stond
tussen veertig gebruikte tandenborstels in diverse
plastic bekertjes en het witte ondergoed wachtte
in bleekwater, met de houten lepels. Zes emmers van zink.
Vanaf de wanden, in goud en koper geverfde lijsten,
keken de overledenen of wij geen dromen pikten
uit de tientallen koektrommels onder de tafel van glas
Een pastelgroen plastickleed met namaakkant
en toch nog onderzetters van kurk onder de bekers,
het dienblad uit de keuken, op de zakjes van papier
Er waren zoveel voeten met of zonder schoenen,
en in de verboden kast van mijn oma had mijn nichtje
er meer dan tachtig met of zonder hoge hak geteld
Mijn hoofd was tot aan de rand
gevuld met kinderkoffie, chocolademelk, vanillevla en
groene tjendol. Maar nu is bijna alles op,
verspild, gemorst, bedorven
en zoek ik tevergeefs naar de geur van natgeworden
bos. Broos rook mijn oma's soep op het zwakke pitje.

Marion Bloem; uit: Hoop op nieuwe woorden.