Voor altijd moeder

Bekroond als Best Verzorgde Boek!

© 2001 Marion Bloem
Uitg. Brokaat
Verhalenbundel

 

(foto: Johan Vigeveno 1990)

Voor altijd moeder is ook als luisterboek uitgebracht

Uit Voor altijd Moeder:

Verantwoording

Over mijn zoon heb ik eigenlijk nooit willen schrijven. Niet durven schrijven. Ook in interviews lette ik goed op wat ik wel en niet aan de media prijsgaf. Ooit - ons kind was vier jaar oud -, kreeg ik onenigheid met een journaliste omdat zij in een interview met mijn echtgenoot (schrijver en arts Ivan Wolffers) informatie over ons kind had verwerkt die zij uit mijn mond had opgevangen. Iets wat niet verteld was om te worden gepubliceerd. Nieuws dat per brief — op het moment van het interview — binnenkwam: Het elektrocardiogram van onze zoon vertoonde na vier bange jaren eindelijk geen enkele afwijking meer.

Op het moment dat dit boekje verschijnt is onze gezonde zoon (Kaja) bijna negenentwintig, voornemens te trouwen, en woont hij al meer dan twaalf jaar op zichzelf. Ikzelf ben spoedig in mijn 50ste levensjaar.

Toen ik zo oud was als Kaja nu, was ik moeder van een zoon van acht. Met hem en zijn vader reisde ik de wereld rond. Op de avond dat Ivan en ik elkaar leerden kennen, zeiden we veel te willen reizen en schrijven. Met het schrijven begonnen we meteen. Maar het reizen moest wachten totdat Kaja op zijn vierde genezen werd verklaard, en sterk genoeg was voor de nodige inentingen.
Ik schreef vele boeken, maar Kaja, of iemand zoals mijn zoon, kwam er niet in voor, behalve, op beperkte wijze in De honden van Slipi. (De honden van Slipi, uitg. De arbeiderspers, 1992) Hij stond model voor Boy, de zoon van het echtpaar uit Nederland. Het verhaal speelt zich af in Jakarta. Een jonge Indische vrouw en haar Nederlandse echtgenoot bezoeken samen met hun vierjarige zoontje Indonesië voor het eerst. Er is weleens opgemerkt door een recensent dat het ventje te wijs was voor zijn leeftijd. Welnu, het veel te pientere jongetje in die roman was eigenlijk nog lang niet zo bijdehand als mijn zoon op die leeftijd uit de hoek kon komen, en ook is die romanpersonage nog niet half zo humoristisch. Ik kneedde het kind in De honden van Slipi naar wat nodig was voor mijn roman over de veranderende relatie van Indischen tot de Gordel van Smaragd. Het verhaal van de derde generatie Indische jongen, op sleeptouw genomen door zijn ouders, die zijn eigen interesse krijgt, met een eigen vorm, en eigen prioriteiten.
Het was volstrekt niet de bedoeling dat ik mijn zoon in een boek zou vereeuwigen. Integendeel, ik vond het diep in mijn hart onaangenaam dat ik iets van zijn wezen prijsgaf in mijn literair werk dat een eigen leven zou leiden, beoordeeld kon worden, of erger nog, waarin mijn zoon zichzelf zou kunnen herkennen. Hij zou gekwetst kunnen worden door zowel verschillen als gelijkenissen. Ik wilde hem dat besparen.
Mijn schrijverschap en mijn moederschap probeerde ik zoveel mogelijk gescheiden te houden. Op een enkel kortverhaal na —"Zwijgen tot het graf" geschreven op mijn vijftiende, en gepubliceerd op mijn zestiende- publiceer ik precies net zolang als dat ik moeder ben.

Toen ik "Zwijgen tot het graf" — over moederschap en de betekenis ervan in een vrouwenleven — schreef, was ikzelf in de liefde nog niet verder gekomen dan voorzichtig tongzoenen. Het zou nog drie jaar duren voordat ik een idee had van wat ik in het verhaal zo luchtig neerschreef:

"Het is voor elkaar, ik ben geen maagd meer. Ik heb volop genoten en ik ben zelfs gelukkig. Eigenlijk wil ik mijn ouders nu al vertellen dat ze over negen maanden grootouders zijn, maar ik moet zwijgen. Mijn vriend praat over verloven. Hij vroeg of het zeker was dat ons samenzijn geen gevolgen hebben zou. Ik heb alleen maar geglimlacht.
Er zijn nu vier maanden voorbij. Ik ben bij geen dokter geweest, maar ik weet genoeg. Het was mijn enige kans, en deze is gelukt. Morgen ga ik het mijn ouders vertellen, en vandaag mijn vriend…"
(Zie de bundel "Vliegers onder het matras", het verhaal "Ik zwijg als het graf". Uitg. De Arbeiderspers 1990)

Het moederschap heeft mij in één keer volwassen gemaakt. Ik was meisje, studente, jong, naïef, onverantwoordelijk en uit op avontuur. Opeens werd ik moeder, en vervolgens in enkele dagen tijd volwassen, met verantwoordelijkheden waar ik niet op was voorbereid. Enkele vrouwen in mijn omgeving kregen op hun zevenendertigste hun eerste kind. Ik was zevenendertig toen mijn zoon het huis uitging.
Toen Kaja al op zeventienjarige leeftijd zelfstandig ging wonen schilderde en tekende ik bijna alleen nog maar baby’s. Doeken uit die tijd tonen naakte baby’s die spottend en uitdagend de wereld inkijken, en zich losrukken uit de armen van de volwassene die de baby koestert. Ik wist zelf niet waarom, en zag aanvankelijk geen verband met zijn prille zelfstandigheid en mijn eigen gedwongen loslaten. Het gedicht Moeder tot zoon was het eerste dat over moederschap uit mijn vingers kwam. Dat gedicht was nooit bedoeld om door anderen gelezen te worden. Maar het kan raar lopen. In een impuls voegde ik het toe aan een bibliofiele uitgave van mijn gedichten en zeefdrukken (Hoop op nieuwe woorden, bibliofiele uitgave van Ravenberg Pers, 1995). Mijn zoon las het voor het eerst nadat de bundel in mijn atelier aan een bescheiden genodigd publiek was gepresenteerd.
De gedichten Later is vroeger verdwenen en Striae zijn nog niet eerder gepubliceerd, maar in diezelfde periode als Moeder tot zoon geschreven.

Er waren meer dan vijfentwintig jaren voorbij sinds de geboorte van Kaja toen ik over mijn ervaringen rondom zwangerschap en moederschap schreef voor KNMO-Info, en informatieblad voor medische studenten. De redactie had mij uitgenodigd te schrijven over mijn ervaring met de medische wetenschap. Ik deed dat in eerste instantie afstandelijk, met nauwkeurigheid van details. De inhoud was zonder toevoegingen uit mijn fantasie al sensationeel genoeg. Een lastige moeder is daar een bewerkte versie van. Van meisje moeder schreef ik in diezelfde periode, 1999, maar liet ik niemand lezen. Ter gelegenheid van deze uitgave heb ik die teksten herschreven. Een slechte moeder is speciaal voor dit boekje op papier gezet. Bovengenoemde verhalen kunnen afzonderlijk gelezen worden, maar in de volgorde zoals ze in deze bundel verschijnen, krijgen ze een meerwaarde.
Tussen twee foto’s schreef ik in de lente van 2001 (in opdracht van Uitgeverij Archipel voor de zomerbundel Souvenir.) Dit verhaal is een literaire verwerking van mijn persoonlijke ervaringen, en vervlecht herinneringen en toekomstverwachtingen met wat de tijd met ons doet en heeft gedaan. Het is geen toeval dat het verhaal verteld wordt naar aanleiding van twee foto’s die elk betrekking hebben op een reis naar Istanboel, de stad waar de grens tussen Europa en Azië doorheen loopt.
De eerste reis maakte ik met Ivan, als eerste stap om een droom – ver en veel reizen – te verwezenlijken. Ik keek op tegen dat verre werelddeel waar mijn ouders vandaan kwamen, dat mij trok en afstootte tegelijk. Er was een hang naar avontuurlijk leven, maar tegelijk was er de vrees om de Bosporusbrug op te gaan. Een ondefinieerbare angst voor het onbekende die werd aangewakkerd door de zwangerschap.
De tweede reis naar Istanboel maakte ik met Kaja, van wie ik tijdens het eerste bezoek aan die stad zwanger was, en die met mij en zonder mij al ontelbare malen in dat verre werelddeel was geweest. Azië was als het ware om de hoek, het lag inmiddels dichterbij dan Den Helder of Terneuzen.

De tekeningen in dit boekje zijn niet bedoeld als illustratiemateriaal, maar uitgekozen omdat ze op een of andere wijze iets met ‘moederschap’ te maken hebben. Het thema is altijd sterk aanwezig geweest in mijn tekeningen en schilderijen.

Mijn moederschap is niet verlopen zoals de meeste moederschappen, mijn ervaring met de medische wereld is naar ik hoop evenmin representatief, en dit is ook niet het typische verhaal van een Indische vrouw die moeder wordt in Nederland.
Waarom ik anno 2001 besloten heb om iets autobiografisch over het moederschap te publiceren, weet ik niet. Door de gebeurtenissen neer te schrijven kreeg ik inzicht in mijn leven als moeder. Hoe ik opeens meisje af was, en volwassen moest zijn. Hoe ik weer onbezonnen en roekeloos werd toen de angst mijn zoon aan die fatale ziekte te verliezen verdween. Hoe ik terugschrok toen ik merkte dat mijn roekeloosheid zijn neerslag had op mijn kind. Hoe dat moedergevoel uiteindelijk mijn prioriteiten heeft bepaald, en hoe je eenmaal moeder, altijd moeder blijft, met nieuwe zorgen en angsten.
Je denkt dat je volwassen bent, twintig jaar oud, moeder van een zoon, en vastberaden je kind niet te verliezen. Woede houdt je overeind waar tranen je de moed zouden doen verliezen. Zelfmedelijden heb je niet, want je prijst jezelf gelukkig dat je baby nog leeft. Maar nu, meer dan een kwart eeuw later kijk ik met verbazing naar dat kind met een kind dat niet over haar eigen situatie nadacht, maar gewoon deed wat van haar als moeder werd verlangd. Alsof ik die jonge moeder zelf niet was, maar dat het om een deel van mezelf gaat dat ik in de loop der jaren ben kwijtgeraakt. Daarom dit boekje over een kind dat een kind kreeg, en volwassener was dan ik nu als vrouw van bijna vijftig nog kan zijn.

Marion Bloem.