Marion Bloem

Prille jeugd (deel 1)

Mijn naam is Marion Bloem. Ik ben de tweede dochter van Jacqueline Melanie Bloem-Kouthoofd en Eugène Alexander Bloem, die in december 1950 met de boot naar Nederland kwamen. Op 24 augustus 1952 werd ik in Arnhem geboren. Mijn beide ouders kwamen uit Nederlands-Indië, dat na de tweede wereldoorlog onder leiding van Soekarno de Indonesische Republiek was geworden.

Mijn moeder was geboren in Batavia, als dochter van Paul Kouthoofd en Emma Kouthoofd-Sell. Mijn vader in Bandoeng, als derde of vierde zoon (hij maakte deel uit van een tweeling) van de heer Bloem en mevrouw Bloem-Klees. Mijn vaders vader heb ik nooit gekend, want deze stierf toen mijn vader zeven was. Zijn moeder hertrouwde bijna tien jaar later. Mijn vaders stiefvader, opa Slicher, heb ik wel gekend. Hij was blank, had blauwe ogen, en toch een Indisch accent. Maar zo vaak als we bij de ouders van mijn moeder logeerden, zo weinig gingen we op bezoek bij oma en opa Slicher die in Helmond woonden.

Nadat mijn ouders twee weken in Nederland waren, werd hun oudste kind, mijn zus Joyce Bloem, in Heerlen geboren. Ze waren in december 1950, nadat ze in de haven van Rotterdam aankwamen, door DMZ in een pension in Simpelveld geplaatst. Anderhalf jaar later, op 24 augustus 1952 ben ik in een kraamkliniek in Arnhem ter wereld gekomen met hulp van een vroedvrouw die op een motor door Arnhem scheurde, en er de ene na de andere bevalling deed. Mijn ouders en zus woonden toen in een pension in Velp, maar verhuisden kort daarop naar een pension in Baarn, hun zevende pension inmiddels. Drie jaar later kregen ze in Soesterberg in de Plesmanstraat een huurwoning toegewezen: een bovenetage van een duplexwoning. Daar konden zij eindelijk hun eigen potje koken. In dat huis werd mijn broertje Martin geboren.

Ik herinner me nog het kleine balkon aan de achterzijde van het huis in de Plesmanstraat waar we tussen de spijlen door in de tuin gluurden van de Indische familie die beneden ons woonde. Ik herinner me ook nog de geur van het portiek en de andere geur die tevoorschijn kwam uit de woning van de buren die niet Indisch waren, en waar ik wel eens een pannetje met eten moest brengen. Ook herinner ik mij dat mijn zus naar de kleuterschool mocht en ik met mijn neus tegen het raam gedrukt haar treurig nakeek. Ik wilde ook naar school. Maar ik was nog te jong, zei mijn moeder.

Toen het eenmaal zover was viel het mij tegen. Ik ben vooral in het eerste jaar op die kleuterschool met nonnen als kleuterleidster erg ongelukkig geweest. Culturele misverstanden waar je als ‘vroege leerling’ geen raad mee weet. Mijn zus zegt over die periode dat ze het gevoel had dat ze me moest beschermen. Ik herinner me dat ik voor straf in de hoek werd gezet, omdat ik volgens de non bij de toiletten met water had gespeeld, terwijl ik alleen geprobeerd had om de verplichte Indische gewoonte die wij ‘tjebok’ noemen uit te voeren. Mijn zus die mij door het raam van de deur in de hoek van de gang zag staan, rende haar klas uit om mij te troosten, maar ze werd hardhandig mee genomen door de hoofdnon en ik werd in een andere hoek van de gang geplaatst, waar mijn zus mij vanuit haar klaslokaal niet meer kon zien.

Toen ik naar de kleuterschool ging verhuisde ons gezin naar een rijtjeshuis in dezelfde Plesmanstraat. Daar waren we al eerder een paar keer gaan kijken toen ze nog aan het bouwen waren. Het bos waar we op mooie dagen wandelden, was opeens verdwenen. Overal modder en diepe wielsporen die deden struikelen. Bergen zand. We waren met een oom en tante die afscheid kwamen nemen, want zij zouden emigreren naar California. Aan de hand van mijn oom liep ik over de omgehakte boomstammen. De volgende keer, in gezelschap van mijn oma en opa en mijn kleine lilliputter tante Jola, stonden de rijtjeshuizen er wel al, maar er zat nog geen glas in de kozijnen en er waren geen deuren. Ik maakte me zorgen dat we ons knusse bovenhuis inruilden voor die woningen waar iedereen zomaar in en uit kon lopen.

Wordt vervolgd